» GESCHIEDENIS

Wat is dit?

De geschiedenis van het bataljon.


Het infanteriebataljon 5-5 R.I. kwam op 1 juli 1947 onder de wapenen in de "Westenberg kazerne" te Schalkhaar bij Deventer. Na een korte, intensieve opleiding werd het gehele bataljon op 17 december 1947 ingescheept op het troepentransportschip "Zuiderkruis" voor de reis naar het toenmalige Ned. Oost Indië (later Indonesië).
Half januari 1948 kwam het bataljon aan land in Semarang op Midden Java.
De B-compagnie werd na de ontscheping uit het bataljonsverband genomen en vertrok naar Cheribon. De overige compagnieën gingen naar Salatiga en omgeving.
Eind 1948 begon de 2e politionele actie en nam 5-5 R.I. deel aan de opmars naar Djocjakarta en verder via Magelang naar Temanggoeng. Na terugkeer in Djocjakarta volgden nog vele andere plaatsen op Midden Java. Dat was het begin van een zeer zware periode, vooral op de buitenposten rond Djocjakarta, zoals Bantoel, Barongan, Sentolo, Kota Gedeh, Kedaton Plered, Boender, Wonosari, Gading, Post Tjot, Pyoengan en Tandjoeng Tirto.
Sommige van deze posten (met name Kota Gedeh en Kedaton Plered) werden bezet door militairen van de Ost-cie van het 5e bataljon Grenadiers, dat in maart 1949 als 4e cie naar 5-5 R.I. werd overgeplaatst.
Na de ontruiming van Djocjakarta op 29 juni 1949 werd het bataljon gelegerd in en rond Klaten.
Nadat er een "cease fire" was overeengekomen in augustus 1949 moesten de posten rond Klaten worden overgedragen aan de Indonesiërs en ging het balaljon voor enige tijd naar de omgeving van Koedoes en Japara.
Daarna ging het naar Oengaran en nadat op 27 december 1949 de souvereiniteitsoverdracht was getekend begon het wachten op vervoer naar huis.
Na een treinreis van Semarang naar Bogor moest daar nog 14 dagen worden gewacht en werden ze ingescheept op het MS "Nelly".
Pas op 2 mei 1950 keerden de mannen weer in Nederland terug.
Thans zijn ze dus veteranen, met de hierboven vermelde stichting als steun in de rug voor contacten in de vorm van reünies en door middel van het blad: "De Mortier van 5".

In totaal 37 makkers kwamen om het leven tijdens acties en vonden onder de tropenhemel hun laatste rustplaats, de meesten op het ereveld "Candi" in Semarang.
Het aantal geregistreerde gewonden bedroeg 99.



Het hieronder volgende artikel over een zelfstandig Indië is geschreven door Jan Schouten, de vorige voorzitter van onze Stichting Veteranen 5-5 R.I., die in 2002 is overleden. Hij schreef dit toen hij na zijn terugkomst uit Indië Nederlands Recht had gestudeerd.
Het stuk was in het bezit van onze penningmeester Hennie Bijker. Bij een gesprek met hem en de echtgenote van Jan Schouten tijdens de reünie van de Ost. Cie. kwam het ter sprake. Na het lezen ervan hebben we aan haar gevraagd of we dit artikel mochten publiceren in ons blad en inmiddels heeft ze daarvoor haar toestemming gegeven.
Red.


De Nederlandse mening over een zelfstandig Indië.


Door Jan Schouten,


De onafhankelijkheid van Indonesië werd ingeleid door de Londense regering in haar door de Koningin uitgesproken verklaring van 6 december 1942, waarbij in uitzicht werd gesteld een zodanige reorganisatie van het Koninkrijk, dat de ondergeschiktheid van de overzeese gebieden aan Nederland zou worden beëindigd en alle 4 gebiedsdelen gelijkwaardig en zelfstandig binnen het Koninkrijk zouden worden.
Was de reorganisatie de inleiding voor de afscheiding van ons Indië? Nee, daar was men toen nog niet aan toe; het ging om de versterking van de structuur.
Een onlosmakelijke band moest worden gevormd tussen de Rijksdelen en het Koninkrijk.
Dit was vooral het gedachtegoed van de Rijksuniversiteit van Utrecht.
De universiteit van Leiden en de hogeschool van Batavia, medebepalende krachten in 's lands politiek op koloniaal gebied, dachten daar geheel anders over.
Van grote invloed was ook de in 1930 te Batavia (Jakarta) opgerichte studieclub "de Stuw" (oprichterbestuurder o.a. de bekende heer van Mook met later daarin ook de professoren Logeman en ter Haar), welke als beginselverklaring had:'medewerking aan de verdere uitvoering van de Nederlandse koloniale taak, welke voltooid zal zijn, wanneer een Indische gemenebest in de rij van de zelfstandige volken een eigen plaats inneemt. Zij streeft ernaar, dat Nederland en dat gemenebest blijvende banden zullen onderhouden.'
Toen een Indonesiër informeerde naar het einddoel van zo'n medewerking en de Stuw verder uitdaagde te verklaren, dat het haar streven zou zijn Indonesië op te voeden tot volkomen onafhankelijkheid, omdat dat pas iets bijzonders zou betekenen, -want dan zouden n.l. diegenen onder de Indonesische nationalisten, die vooralsnog het non-
cooperation-beginsel verwierpen, die hen tot samenwerking toegestoken hand aannemen om gezamenlijk te werken aan de bouw van een onafhankelijk Indonesië- sprak het bestuur van de Stuw als haar mening uit: Voor ons is volledige emancipatie binnen de wereldgemeenschap (dus niet binnen het Koninkrijk) het natuurlijke, het enige mogelijke doel!
Vastgelegd werd tevens, dat de politieke banden, die zouden overblijven, geen staatsrechtelijke , maar alleen volkenrechtelijke zouden zijn. De toekomstige houding van Nederland en Indonesië zou dan dus volkomen gelijk zijn aan die, welke tussen landen door traktaat kunnen ontstaan. Het losmaken van de band tussen Indië en Nederland wordt gesteld als een optimum, naar de bereiking waarvan bewust moet worden gestreefd.
Utrecht, met als grote voorvechter professor Dr. Gerretson, schrijft in het Gedenkboek 1925 - 1945 van de Utrechtse Indologen Vereniging, dat het ware ideaal moet zijn om het recht van het volk te verzoenen met het recht van de staat en dat aldus het doel van de koloniale politiek niet mag zijn onafhankelijkheid van de Indische volkeren ten koste van het historisch staatsverband, maar moet zijn zelfstandig binnen het Rijk.
En dit alles werd gezegd en geschreven in 1930 door heren die later in de Nederlandse politiek een beslissende rol zouden spelen.
De gedachte van de Stuw - lees in Batavia, in Leiden - nog niet snel wortel hadden geschoten bij de Nederlandse Regering, zou blijken bij de afhandeling van de motie van de Volksraad 1936-37, waarbij deze om meer zelfstandigheid had gevraagd voor het bestuur van Indië.
Minister-president Colijn bestond het om de motie bijna 2 jaar lang in de kast te houden om daarna namens de Nederlandse Regering te verklaren, dat voor een zelfstandig bestuur van een land het noodzakelijk is, dat men daaraan in maatschappelijk, economisch en intellectueel opzicht aan toe is, hetgeen thans nog niet in voldoende mate kan worden vastgesteld. Basta! Dat was 1938!
Sedert medio 19de eeuw was er al hoger onderwijs voor Oost-Indische ambtenaren in Delft en Batavia, gevolgd door de stichting van Indische faculteiten aan de universiteiten van Leiden en Utrecht, waar vele honderden Indonesiërs (alsook op andere universiteiten en hogescholen) hebben gestudeerd. Het kan niet anders of uitspraken als die van Dr. Colijn, gevoegd een paar jaar later bij het behoudende standpunt van de Nederlandse Regering in 1942, hebben niet alleen bijzonder pijn gedaan, maar ook de nodige achterdocht gewekt bij de Indonesische figuren als Soekarno, Hatta, en Sharir, coming men toen al, hetgeen later al te zeer zou blijken. Toen al gold de bijzondere uitspraak: de Balanda's leren het nooit!
Waren daarvoor in die tijd al gedachten over de staatkundige organisatie van Indië? Jazeker! In 1917 organiseerde het ontwerp Pleyte, Indië volgens het type van de gecentraliseerde nationale eenheidsstaat. Tegenover de centrale ambtelijke regering werd een Centrale Volksraad geplaatst, welke het bestaan van een Indisch volk veronderstelde. De Volksraad werd aangediend als een parlement in de dop.
Prof. Gerretson zei: Men ziet twee kardinale feiten over het hoofd:

� ten eerste: het dualisme van een Nederlands bestuur over een Indische bevolking.

� ten tweede: het ontbreken van het noodzakelijke substaat van de eenheidstaat, één Indonesich volk.

De z.g. Herzieningscommisssie ging in meerderheid uit van de territoriale eenheid in de plaats van de nationale eenheid: "het alleenige Indische land". Het Nederlandse bestuur over de dit territoir bewonende volken zou een Indonesisch nationaal bewustzijn hebben geschapen.
Prof. van Vollenhove zei eens in 1919: "De bevolking van Indië is in een bepaalde betekenis van het woord allerminst een eenheid, maar een grote veelheid. Maar van de andere kant: al 300 jaar werkt het proces van één Nederlands gezag in op dit Indië en dat brengt de Indonesiërs onderling dichter bijeen!
Zelfs werd als opvatting verkondigd, dat de Indonesische bevolking in grote meerderheid behoort tot het Indonesisch ras, dat in heden en verleden tal van onderlinge banden kent, die in omvang en betekenis blijven groeien.
En hoe waren de opvattingen van Leiden en Batavia enerzijds en Utrecht anderzijds? U raadt het: Leiden en Batavia vóór, Utrecht tegen de Indonesische rasnationaliteit, de op dit substraat gevestigde nationale eenheidsstaat en de Centrale Volksraad als orgaan van die staat, omdat volgens Utrecht deze niet is, noch in afzienbare tijd kan worden de nationaal-democratische vertegenwoordiging van een homogeen Indonesisch volk.
Dit alles speelde zich af in de jaren 1918 - 1925 met problemen trouwens, welke ook het Indonesië van thans moet ervaren. Ik ben mij ervan bewust, dat het o zo gemakkelijk is om later te schrijven hoe alles in het verleden had moeten verlopen.
Maar in het verleden had ik ook mijn contacten!
In het jaar 1945 - 1946 studeerde ik Indisch Recht in Utrecht. Niet langer, want na mijn kandidaats moest ik onder dienst tot juli 1950.
Ik herinner mij een college van Prof. Dr. W.J.A. Kernkamp, waarbij deze fel uithaalde naar Minister-president Dr. H. Colijn, die door zijn optreden het Indonesische volk zo pijnlijk had bejegend.
Als militair in Indië had ik bijzondere contacten met Indische kringen, waarbij mij 2 dingen opvielen:
1 Het respect voor de belanda's voor hun economische prestaties in het verleden en
2 Het onbegrip anderzijds voor het niet goed verstaan van het Nederlands bestuur van die tijd, die om een totale wijziging in de verhouding Nederlands-Indië vroeg.
Trouwens als daarvoor sinds 1918 werd gedebatteerd en Djakarta (met Leiden) daarvoor duidelijke standpunten had, waarom moest dan zo nadrukkelijk de stempel van Prof. Gerretson op 's lands beleid worden gedrukt? Waarom slikte de Tweede kamer toen alles, wat er over Indië werd gezegd?
Als in 1942 de Koningin had mogen mededelen, dat de regering had besloten om de soevereiniteit van Indië uiterlijk 2 jaar na afloop van de oorlog over te dragen aan het door Indonesië aangewezen voorlopig bestuur; dat deze 2 jaren in overleg met het voorlopige bestuur zouden worden gebruikt voor steun aan de opleiding van Indonesische ambtenaren, politie-eenheden en militairen en Nederland zich tevens bereid verklaarde in die jaren zo nodig en gewenst mede te zorgen voor orde en veiligheid en tevens om overleg te voeren over de positie van het Nederlands bedrijfsleven, wat zouden dan veel problemen zijn voorkomen.
In september 1950 ben ik Nederlands Recht gaan studeren, in Utrecht, zittend op de zelfde stoelen, waarop ik 5 jaar tevoren luisterde naar de professoren Fischer, Kernkamp en Gerretson!
Alleen was ik een illusie armer.

J. Schouten




[ terug... ]Omhoog



Maak vrienden

Laatste Nieuws

  • Meld u aan als u zich wilt abonneren op de Nieuwsbrief. e-mail: gerri@famprinsen.eu 0546 - 576199 / 06 - 53551417

V Fonds

  • Onze renie wordt mede mogelijk gemaakt door het vfonds.


Copyright 2002-2020